een handreiking tot beter begrip
Auteur: Maarten Kappen
Er wordt in de kynologie enorm veel gesproken over voeding. Er wordt
ook veel over gefantaseerd. Op basis van individuele ervaringen
worden algemene regels uitgesproken die meestal nauwelijks ergens op
gebaseerd zijn. Ook de eeuwige tweestrijd tussen droogvoer en al dan
niet diepgevroren op vers vlees gebaseerd voer is hiervan een
voorbeeld. Anderzijds moeten we ons realiseren dat de
behoeftepatronen van de diverse honden sterk uiteen kunnen lopen: we
hebben verschillen in ras, verschillen in het gebruik van de hond,
verschillen in levensfase waarin de hond zich bevindt en verschillen
in gezondheid, conditie en activiteit. Verder heeft een hond een
eigen smaak en reuk waarmee rekening gehouden moet worden. En wat te
denken van het gevoel van de baas die het voer toedient. Een voer
dat niet prettig ruikt voor ons als baasje, en er tevens niet goed
uitziet, maakt ook veel minder kans…
De bedoeling van dit artikel is u een inzicht te geven in het waarom
van de samenstelling van het hondenvoer. Daarnaast zal ik het voer
bespreken van een tweetal verschillende groepen honden en van de
hond met de voedingsallergie. Ook een aantal praktische zaken met
betrekking tot het voeren zelf zullen de revue passeren.
Historie: van ‘leftovers’ naar gespecialiseerd voedsel
In het verleden had de hond een heel andere plaats in onze
samenleving dan tegenwoordig. Dat uitte zich onder andere in de
manier waarop de hond gevoed werd, of beter gezegd, zichzelf voedde.
Veelal met afval dat hij zelf vond in en rond het huis, grotendeels
resten van het voedsel van de mens of andere erfdieren. Tegenwoordig
is er voor de voeding van de hond, welke speciaal hiervoor door de
mens ontwikkeld is, een miljardenindustrie wereldwijd actief. Een
grote markt welke zich steeds verder ontwikkelt en waarbij een
toenemende hoeveelheid verschillende voeders wordt verkocht. De
prijs hiervan is voor veel mensen steeds minder een issue; we hebben
veel over voor een goede voeding van ons huisdier.
Wat is de wetenschappelijke basis van een goede hondenvoeding?
Het standaardwerk waarin de voorwaarden zijn terug te vinden waaraan
een goed hondenvoer moet voldoen is het boek “the Nutrient
Requirements of Dogs” uitgegeven door de (Amerikaanse) National
Research Council, Commission on Animal Nutrition. Hierin zijn een
groot aantal minimumeisen qua hoeveelheden en kwaliteit van
voedingsstoffen gedefinieerd. Zoals het percentage eiwit,
koolhydraten en vet per gewichtseenheid droge stof. Maar ook
vitaminen en mineralengehaltes. Echter door de sterk variërende
opbouw van de hondenpopulatie (jong/oud, klein/groot, groeiend/niet
meer groeiend, lacterend/niet lacterend, veel of weinig beweging
etc.) is dit niet meer dan een richtlijn. Dit is overigens ook een
belangrijke reden waarom zoveel verschillende typen voer op de markt
gebracht worden. Bij de 1e uitgave in 1985 werd met die variërende
opbouw geen rekening gehouden, bij de laatste van 2003 wordt al wel
een onderscheid gemaakt naar aktiviteitsnivo en levensfase.
Daarnaast houdt ook de Association of American Feed Control
Officials (AAFCO) zich bezig met richtlijnen voor enerzijds
onderhoudsvoer en anderzijds voor puppies, drachtige- en lacterende
teven. Deze inzichten zijn verkregen door onderzoek. Er zijn vele
universiteiten, instellingen en bedrijven die onderzoek verrichten
naar voeding van de hond. Dit is een voortgaand proces, waarvan veel
nog onvoldoende bekend is. Belangrijk is hierbij op te merken dat
bij de meeste onderzoeken wordt gekeken naar de effecten op korte of
op middellange termijn. Vergelijkingen van verschillende
samenstelling in relatie tot de levensduur van de hond zijn er nog
zeer weinig gedaan. We gaan er hierbij van uit dat wat goed is op
korte termijn, ook op lange termijn het beste zal zijn. Of dit
altijd zo is blijft hierbij de vraag.
Een andere insteek voor wat betreft de samenstelling is uit te gaan
van de theoretische energie behoefte van de hond die afhankelijk is
van de basisstofwisseling (BS). Dat is de hoeveelheid
voedingsmiddelen en energie die nodig is om het lichaam op een
basisniveau te laten functioneren ofwel te laten overleven met
minimale activiteit. De benodigde energie is afhankelijk van het
gewicht van de hond en het warmteverlies. En deze laatste is weer
afhankelijk van het lichaamsoppervlakte. Zoals duidelijk mogen zijn
hebben kleine honden een relatief groter lichaamsoppervlakte per kg
lichaamsgewicht. Met andere woorden: kleine honden hebben meer
energie nodig dan grote per kg lichaamsgewicht. Men spreekt dan ook
wel over het metabool gewicht als eenheid van verbruik die rekening
houdt met beide factoren. Een normale huishond verbruikt door zijn
dagelijkse activiteit ongeveer een energiehoeveelheid van 2 maal de
BS. Honden in de groei, drachtige honden, of zogende teven, maar ook
sport- of jachthonden, welke veel lichaamsbeweging hebben verbruiken
veel meer. Dit kan oplopen tot wel 8 maal de BS!
Droogvoer of natvoer op vleesbasis?
Er vanuit gaande dat gehaltes bij beide typen voer voldoen aan de
hierboven genoemde eisen, zijn er een aantal belangrijke verschillen
tussen beiden. Allereerst natuurlijk het vochtgehalte; is dit bij
droogvoer rond de 10%, bij natvoer (blik, diepvries) rond de 60%.
Vergelijkingen moet men dus altijd maken per eenheid droge stof!
Bij natvoer heeft men het praktische nadeel van meer volume te
moeten opslaan, al dan niet ingevroren. Eenmaal ontdooid is de
houdbaarheid kort. Voordeel is dat de smakelijkheid van natvoer in
het algemeen prima is. De smakelijkheid van de betere droogvoeders
geeft overigens ook geen problemen. De bewering dat de honden op
natvoer ´het beter doen´ dan op droogvoer is (helaas) nooit door
middel van objectief onderzoek onderzocht, en wordt door de praktijk
mijns inziens ook voldoende ontkracht. Een vergelijkend
warenonderzoek tussen nat en droog, en droog onderling zou een goed
idee zijn, de praktische uitvoerbaarheid is echter zeer lastig,
gezien het totaal niet uniform zijn van de hondenpopulatie.
Voorbeelden van voedingaanpassing in de verschillende levensfases:
1.De opgroeiende hond van de grote rassen

Een bijzondere uitdaging voor een perfecte voersamenstelling is die
van de pups van de grote rassen. Een gewichtstoename vanaf 2,5 maand
tot 6 maanden van meer dan 200 gram per dag zonder het optreden van
groeistoornissen vereist een uitgebalanceerd voerregiem. Drie
factoren zijn hierbij van bijzonder belang:
1. De hoeveelheid energie die gevoerd word, dus energiegehalte van
het voer én de voerhoeveelheid mag niet onbeperkt zijn
2. De calciumgift per droge stof eenheid mag iets verlaagd zijn ten
opzichte van onderhoudsvoer
3. Het gebruik van kraakbeenbeschermende factoren heeft een positief
effect op het voorkomen van groeistoornissen in de gewrichten.
Vroeger (en door sommigen ook vandaag de dag) werd gedacht dat een
hoog eiwit gehalte in het voer kon leiden tot uitgebreide
groeistoornissen zoals standafwijkingen, ocd en groeipijnen. Door
onderzoek onder andere in Utrecht (Dr.Nap) is gebleken dat dit
effect er niet is. Een zekere minimale behoefte is er echter wel. En
natuurlijk speelt de kwaliteit van de eiwitsamenstelling ook een
rol.
Het voeren van een hoogenergievoer ad libitum (zoveel als ze maar
willen, voer continu aanwezig) leidt wel in een groot aantal van de
gevallen tot het optreden van uitgebreide
groeistoornissen. Beperkt voeren gaf in een aantal onderzoeken
significant minder problemen met hypertrofische osteo dystrofie (HOD,
een aandoening met pijnlijke zwellingen boven en onder de
gewrichten) enostosis (een botaandoening die kreupelheid bij honden
in de groeifase veroorzaakt), radius curvus syndroom (RCS, een
misvorming van de onderbenen waarbij de ondervoet naar buiten draait
en de onderbenen naar voren buigen), en elleboogdysplasie (ED). Het
onderzoek is met name gedaan bij Duitse Doggen.
Resumerend moet een goed voer voor deze categorie honden dus een
gelimiteerde hoeveelheid energie bevatten (dwz. een niet hoog
vetgehalte!), een optimale calcium-fosfor verhouding met een iets
verlaagd calcium gehalte en een gemiddeld eiwitgehalte. Hierbij gaan
we uit van een kwalitatief goed eiwit, dat betekent met een
aminozuursamenstelling zoals voor de hond optimaal is. Bepaalde
kraakbeenbeschermende factoren (chondroïtinesulfaat en
glycosaminoglycanen) kunnen hierbij door het voer gemengd zijn of
eventueel bijgegeven worden.
2. Voer voor de oudere hond: de senior
Met het vorderen van de leeftijd veranderen er een aantal dingen in
het leven van de hond. De basisstofwisseling neemt iets af met het
ouder worden. Er is een grotere kans op overgewicht, deels door
minder beweging. Ongeveer 25% van alle honden is te zwaar. Dit is
een negatieve factor voor honden die met het ouder worden ook
arthrose in de gewrichten ontwikkeld hebben. Dit kan een vicieuze
cirkel worden waarbij minder bewegen leidt tot nog dikker worden, en
dit weer leidt tot pijnlijkere gewrichten etc. Een energiearmer voer
met meer vezels kan hierbij een oplossing zijn. De meeste
seniorenvoeders voldoen aan deze voorwaarden. Er zijn echter ook
oudere honden met een ondergewicht, of omdat ze wel actief blijven,
of omdat hun opname minder wordt. Minder opname van voer zonder
onderliggende ziektes of aandoeningen kan te maken hebben met
verminderde smakelijkheid. De geur is hierbij een belangrijke factor
voor de hond. Deze groep honden dient juist vetrijker gevoerd te
worden. De behoefte aan eiwit bij de oudere hond is groter dan die
bij een jonge uitgegroeide hond. Zeker diëten waarbij een verlaagd
eiwitgehalte vanwege nierproblemen is voorgeschreven kunnen dan
leiden tot tekorten. Een gematigd eiwitgehalte is hierbij de
oplossing (tot 30% van de droge stof).
De totale weerstand van de hond wordt gemiddeld minder, en huid en
beharing kunnen veranderen. Hiervoor kunnen in het voer bepaalde
componenten, zoals extra antioxidanten, worden toegevoegd die de
terugval hiervan zoveel mogelijk beperken.
Zeker bij de kleinere rassen worden gebitsproblemen, grotendeels
veroorzaakt door tandsteen, veelvuldig gezien. Deze hebben een
uitgesproken invloed op de levensduur, maar op korte termijn kunnen
zij ook de opname van voer ernstig benadelen. Er zijn inmiddels een
aantal voeders op de markt die door hun typische samenstelling de
nieuwvorming van tandplaques en tandsteen effectief tegengaan.
Voorbeeld van een voer voor een hond met een specifiek probleem
(dieetvoer):
Het voer voor de hond met een voedingsallergie
Een voedingsallergie is een overmatige afweerreactie van het lichaam
op bepaalde componenten in het voer. Bij een allergie zijn dit de
eiwitfracties boven een bepaalde grootte (10000 Dalton). Dit kan
zich uiten met name in huidproblemen, doch het kan ook hand in hand
gaan met minder goede ontlasting. Op het totaal van allergisch
geïnduceerde huidaandoeningen neemt de voedingsallergie een kleine
plaats in (ongeveer 10% van het totaal). De eiwitbron is hierbij het
centrale begrip. Is een hond nog nooit in contact geweest met een
zekere eiwitbron (bv kippenvlees) dan is de kans op een allergische
reactie hierop erg klein. Vandaar dat het lamsvlees uit bepaalde
diëten prima voldeed in het begin als hypoallergeen dieet. Momenteel
zijn er vele voeders die een bepaald percentage (meestal 5 a 10 %)
lamsvlees bevatten, zodat dit tegenwoordig niet meer hypoallergeen
genoemd kan worden. Andere bronnen worden hiervoor naar voren
geschoven (bepaalde vis, eend etc.). Een hypoallergeen dieet dient
minimaal 6 weken gegeven te worden teneinde te kunnen bepalen of er
überhaupt sprake is van een voedingsallergie. Praktisch probleem is
dat de hond niets anders mag hebben, zeker in een huishouden met
meerdere honden kan dit een punt zijn. Ook het eten van resten of
ontlasting onderweg moet men nauwlettend in de gaten houden. Een
aantal fabrikanten hebben een dieet waarbij de eiwitten
gehydrolyseerd zijn, dwz afgeschermd voor de allergische reactie.
Deze zijn (theoretisch) superieur aan de overigen.
Voor het juiste onderscheid met de voedingsallergie: de term
voedingsintolerantie is het niet kunnen verteren van bepaalde
voercomponenten, waardoor diarree ontstaat.
Een voedselvergiftiging is een gevolg van de opname van voedsel dat
besmet cq gecontamineerd is met bepaalde bacteriën zoals
Campylobacter spp. Dit kan in het maagdarmstelsel tot een acute
ontstekingsreactie lijden, met opname van gifstoffen uit bacteriën
en hun afbraakproducten waardoor de patiënt erg ziek wordt.
Hoe vaak voeren, hoeveel en hoe moeten we voeren?
Een pup begint het leven met op de eerste dag ongeveer elke twee uur
melk tot zich te nemen. Naarmate dat de pup groeit wordt dit
interval ruimer, en vanaf 2,5 tot 3 weken als ze het eerste vast
voedsel bijgevoerd kunnen krijgen, wordt het interval nog ruimer,
tot 6 maal per dag. Als de pup gespeend is en afgeleverd wordt aan
de nieuwe eigenaar, zo op 8 tot 10 weken, dan is de voerfrequentie
meestal nog 4 x verdeeld over de dag. Vanaf 6 maanden kan je
volstaan met het definitieve 2 x per dag. Minder is niet aan te
raden vanwege het grotere risico op maagdarmstoornissen zoals een
maagdilatatie/maagdraaing.
De hoeveelheid wordt in eerste instantie aangegeven op het pak,
echter in de praktijk blijkt dat dit voor de meeste honden teveel
is. Weeg het voer eens af; een veelgehoord antwoord op onze
praktische vraag hoeveel de hond eet, is een hoeveelheid kommen of
voerbakken. Daar kun je weinig mee. Voer daarnaast altijd met de
ogen, en hou het gewicht en conditie van de hond nauwlettend in de
gaten.
Realiseer dat als er meerdere honden of katten zijn dat de honden
uit elkaars voerbak kunnen eten. Ook de plaats in de roedel kan
hierbij een rol spelen. Zoals we hierboven al gezien hadden speelt
de geur van het voer een grote rol bij de opname. Er zijn een aantal
mogelijkheden om de smakelijkheid te vergroten: altijd vers voer
geven, niet direct gegeten voer wegnemen, het droogvoer vochtig
maken en opwarmen tot lichaamstemperatuur. Een vetrijk voer is over
het algemeen smakelijker dan vetarm.
Conclusie
Het is voor u als individuele hondeneigenaar vrijwel ondoenlijk de
kwaliteit en samenstelling van voeders te vergelijken en te
beoordelen. Je kunt vooral beoordelen of je eigen hond het smakelijk
vindt, hij goed in conditie blijft en normale ontlasting heeft. Dit
geldt ook voor voer dat ontwikkeld is voor speciale doelgroepen.
Mochten er problemen of onduidelijkheden zijn over het voer of het
voeren dan is het raadzaam hiervoor contact op te nemen met uw
dierenarts.
|